De idioot in het bad

De idioot in het bad, M. Vasalis 

Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,

Haast dravend en vaak hakend in de mat,

Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,

Gaat elke week de idioot naar ‘t bad. 

De Damp die van het warme water slaat 

Maakt hem geruster : witte stoom…

En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,

Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,

Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,

Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst

En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijdend. 

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,

Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,

Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden

Komen als berkenstammen door het groene opdoemen. 

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,

Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,

Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren

En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij ‘t bad uitgehaald wordt,

En stevig met een handdoek drooggewreven 

En in zijn stijve, harde kleren wordt gsjord

Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren

En wreed gescheiden van het veilig water-leven,

En elke week is hem het lot beschoren

Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.


Link video: https://youtu.be/C4c1zR2Lc2c

Benaderingswijze: De dag gaat open als een gouden roos

De dag gaat open als een gouden roos

Herman Gorter

ik sta aan ´t raam en zend mijn adem uit,

het veld is stil en nauwlijks een geluid

breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos

En in mijn kamer, als een donkre doos,

waarvoor de parels hangen aan de ruit,

ga ´k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit

en ik bij donkren wand stil peinzend poos. 

Ik heb ´t gevonden, het mensengeluk,

als moest ik worden vier en dertig jaar

eer ik het vond, en ging veel trachten stuk

in spannend worstlen en ijdel gebaar, 

Maar zo zeker als daarbuiten de zon de 

wereld befloerst, heb ik ´t geluk gevonden


Verschillende benaderingswijze

Close reading

Het gedicht begint gelijk met een allusie: ‘De dag gaat open als een gouden roos.’ Door deze opening wordt er al snel een blij en verheugd effect opgewekt bij de lezer. Ondanks een treuriger middenstuk eindigt het gedicht weer vrolijk en voldaan, zodat dit effect achteraf bij de lezer blijft. Gedurende het gedicht schommelen de emoties wel. 

Er wordt gerijmt met positief en negatief: een gouden roos en een donkre doos. Waar de ik-figuur in het gedicht zijn adem uitzend aan het raam, wordt er in zijn kamer parels gehangen aan de ruit. Gorter eindigt het gedicht met een terugkoppeling naar de eerste alinea. ‘Maar zo zeker als daarbuiten de zon de wereld befloerst, heb ik ‘t geluk gevonden.’ Dus nadat hij de buitenwereld heeft gezien en ziet hoe de zon de wereld een mooiere en duidelijkere plek maakt, heeft hij het mensengeluk gevonden.

De bedoeling en opvatting van het gedicht is over het geheel optimistisch over de wereld en de wereld om de persoon heen.

Impressionistische wijze

Dit is een impressionistisch gedicht. Met name het overdreven gebruik van bijvoeglijke naamwoorden is een kenmerk van het impressionisme. Gorter gebruikt in dit gedicht bijvoeglijke naamwoorden als ‘donkren’. Soms kunnen die vele bijvoeglijke naamwoorden ervoor zorgen dat een gedicht best vermoeiend is om te lezen. Gorter probeert in dit gedicht met ontzettend veel (en misschien wel té veel) woorden iets te zeggen. Dit zou je kunnen opvatten alsof Gorter een beetje literair wil doen en schrijvertje wil spelen. 

Ook is het gedicht een sonnet. Dit is een rijmend gedicht van veertien regels. Dat het gedicht rijmt, blijkt uit het gebruik van omarmende rijm: ‘roos’ en ‘tussenpoos’. In een sonnet zit meestal een wending, de dichter begint positief: ‘De dag gaat open als een gouden roos’, wordt vervolgens een beetje negatief: ‘En in mijn kamer, als een donkre doos’, en sluit positief af: ‘Ik heb ‘t gevonden, het mensengeluk’.

Filologische

De naam van Gorter (1864 tot 1927) zal voorgoed verbonden blijven aan zijn grote jeugdwerk Mei, het onovertroffen hoogtepunt van zijn carrière, maar zijn andere poëzie is van minstens even groot belang. In De dag gaat open als een gouden roos komen de twee hoofdlijnen van Gorters dichterschap bijeen: er is geen onderscheid meer tussen het persoonlijke en het algemene, tussen natuur en maatschappij, tussen lichaam en geest. Zijn diepste wezen, waarin een oneindige wereld van emoties tot bewustzijn kwam, heeft hij weten uit te drukken door een nieuw, oorspronkelijk woordgebruik. Ook driekwart eeuw na zijn dood is zijn poëzie nog even fris en verrassend als bij haar verschijning. 

In de tijd van de Tachtigers moest literatuur niet moralistisch zijn, maar een individuele uiting van een kunstenaar die daarmee andere individuen wil aanspreken. In het gedicht De dag gaat open als een gouden roos wordt kort het leven beschreven van een individu. Door een persoon apart te beschrijven in een gedicht, voelen de lezers zich meer aangesproken, vooral als ze bepaalde onderdelen uit het gedicht zelf ook meemaken. 

Postmodernistisch

Gedichten kunnen op diverse manieren opgevat worden. Bij dit gedicht hadden wij dit idee alleen niet. Onze opvatting ervan is dat de man in het gedicht wakker wordt met een gevoel van blijdschap “De dag gaat open als een gouden roos”. In de tweede strofe legt hij uit dat zijn kamer zelf zorgt voor een onvoldaan en triest gevoel. Bij de zin “….. en ik bij donkren wand stil peinzend poos”. Door deze strofe kregen we het idee dat hij buiten als geluk en binnen als triest en ongeluk ervaarde. 

In de derde, en laatste, strofe vindt hij het geluk. Wij hadden het idee dat hij zelf de gouden roos was. Wanneer de roos gesloten is (in zijn kamer, in het donker) is hij ongelukkig, maar wanneer de gouden roos opent (wanneer hij naar buiten gaat/kijkt) vindt hij het geluk. Hij heeft zijn hele leven in die gesloten roos geleefd en niet genoten van het geluk die de wereld met zich meebrengt. Maar na vier en dertig jaar heeft hij zijn roos geopend en heeft hij het geluk eindelijk gevonden. 

Poëzie & benadering

Voor de verre prinses

J.J. Slauerhoff

Wij komen nooit meer saam:

De wereld drong zich tussen beiden.

Soms staan wij beiden ‘s nachts aan ‘t raam,

Maar andere sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:

Van licht tot verre duisternis – dat ik

Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,

U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door grote dromen

Het zwaarst verlangen over wordt gebracht

Tot op de verste ster: dan zal ik komen

Dan zal ik komen, iedren nacht. 

Beredenering

Het gedicht Voor de verre prinses van J.J Slauerhoff gaat over een verre en onbereikbare geliefde, dit is ook uit de titel op te maken. Wij denken dat de schrijver het woord “prinses” heeft gebruikt om het beeld van de vrouw te idealiseren. 

In de eerste strofe merk je dat Slauerhoff het heeft over de scheiding en onbereikbaarheid tussen hem en zijn geliefde. Zo lees je ook in de tweede strofe dat de afstand zo groot is, dat er geen hoop meer is voor hen om bij elkaar te zijn. En dat ze alleen nog samen kunnen zijn in de dood:  “U zou begroeten met mijn stervenssnik”. Wat wij opvallend vinden, is dat Slauerhoff zijn laatste strofe begint met het woord “maar”. Wij denken dat hij hiermee wilt duidelijk maken dat hij het er niet mee eens is dat er in de realiteit geen hoop meer is voor hun liefde en dat de onrealistische wereld, dromen, hun enige redding is om bij elkaar te zijn. 


Warme stront

Ingmar Heytze

Ik kan een hoop hebbe,

modder op me pijpe,

kots op straat, een portiek

met naalde stamp ik met droge oge

doorheen, daar ben ik

werkelijk hard in.

Maar hondenstront in oktober,

net gelegd, warm nog,

onder me zole, nee!

Beredenering

Ons viel dit gedicht al snel op, omdat het vrij grof is. De meeste gedichten gaan over de liefde, over verlies of over iets anders clichés. Dit gedicht gaat puur over het feit dat de schrijfster een ‘stront’ hekel heeft aan stront onder haar schoenen. Wij denken dat de schrijfster in de eerste zin een woordgrap heeft gemaakt, waar je als lezer achteraf pas achter komt, namelijk ‘ik kan een hoop hebben’. ‘Een hoop’ kan je ook opvatten als een ‘hoopje’ poep. Deze woordspeling zou perfect passen bij dit gedichtje en dat is ook één van de redenen waarom we dit gedicht hebben uitgekozen. Daarnaast valt ook op dat de schrijfster woorden vaak laat eindigen op ‘-e’. Bijvoorbeeld in de eerste zin: ‘Ik kan een hoop hebbe’. Bij het woorden ‘hebben’ wordt de ‘-n’ weggelaten. Dit gebeurt meerdere keren in de tekst en dit valt op. Door dit soort taalgebruik wordt het gedicht iets ondeugender en informeler. 


No Second Troy

Jean Pierre Rawie

Ik heb een vrouw bemind, die best 

een tweede Troje zou verdienen, 

en die door drank en heroïne 

onder mijn ogen werd verpest.

Tot ziekbed kromp het liefdesnest, 

en ik zou zachtjes willen grienen, 

omdat alleen dit clandestiene 

sonnetje van ons tweeën rest.

Zo´n veertien regeltjes waarmee je 

een tipje van de sluier licht,

wat zout om in de wond te wrijven.

Wat zijn dat toch voor waanideeën, 

dat je, verdomd, in een gedicht 

´de dingen van je af kunt schrijven´? 

Beredenering

Het gedicht gaat naar ons idee over de liefde die door gebruik van drank en heroïne de grond in geboord wordt. De man die het gedicht schrijft dacht door middel van deze clandestiene sonnet (verboden veertienregelig gedicht) de dingen, dus de stress en wanhoop die hij ervaart door de onmacht die hij ervaart, van zich af te kunnen schrijven. Hij benadrukt in het eind van het gedicht dat hij dit eigenlijk maar waanideeën vindt. Wij hebben dit gedicht gekozen omdat we de diepgang erin zagen en we het heel mooi vonden hoe de schrijver dit onder woorden bracht. We vinden poëzie over het algemeen best lastig te begrijpen maar in dit gedicht zagen we echt wat de schrijver voor mening heeft, waardoor het gedicht onze aandacht trok. 


Voor een dag van morgen

Hans Andreus

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan een kind

dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier,

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen,

vertel het aan de stad

hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens,

ze zouden je niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven dat

alleen maar een man 

alleen maar een vrouw

dat een mens een mens zo liefhad

als ik jou.

Beredenering

Gedurende dit gedicht probeert de dichter naar ons inziens duidelijk te maken dat liefde tussen twee personen heel persoonlijk is. Er wordt meerdere malen geschreven dat de ander de liefde tegen de wind, een kind, een dier, een huis of zelfs een stad mag uitleggen. Echter wordt er wel een waarschuwing gegeven dat ‘het aan geen mens’ verteld kan worden, omdat zij het niet begrijpen. Dus vertel het tegen alles, hoe groter hoe beter, maar tegen een mens kan het niet, want die zal het wantrouwen. Wij vinden het mooi hoe diep de dichter de liefde realiseert en hoe ondiep de mens het zich kan realiseren. 


Zeekoorts

Slauerhoff

Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in ‘t verschiet 

Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet. 

Het rukken van ‘t wiel, ‘t gekraak van het hout, het zeil ertegen, 

Als de dag aanbreekt over grauwe zee, door een mist van regen. 

Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust, 

Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust, 

‘t Is stil hier, ‘k verlang een stormdag, met witte jagende wolken 

En hoogopspattend schuim en meeuwen om kronk’lende kolken. 

Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen? 

Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen. 

Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder. 

‘k Heb genoeg aan een pijp op wacht en een glas in ‘t vooronder. 

Beredenering

Dit gedicht viel ons op vanwege de droevige toon. Het gedicht kan droevig worden geïnterpreteerd, omdat de persoon in het gedicht onrustig is: ‘…en laat mij nergens rust,’. De persoon wekt medelijden op bij de lezer: ‘Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen?’

Wat ons nog meer opviel was dat de persoon erg onverschillig doet. ‘Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder.’ Het maakt hem dus zelf niet uit dat hij alleen is in het leven, ook al maakt dit misschien wel uit voor de lezer.