Poëzie & benadering

Voor de verre prinses

J.J. Slauerhoff

Wij komen nooit meer saam:

De wereld drong zich tussen beiden.

Soms staan wij beiden ‘s nachts aan ‘t raam,

Maar andere sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:

Van licht tot verre duisternis – dat ik

Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,

U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door grote dromen

Het zwaarst verlangen over wordt gebracht

Tot op de verste ster: dan zal ik komen

Dan zal ik komen, iedren nacht. 

Beredenering

Het gedicht Voor de verre prinses van J.J Slauerhoff gaat over een verre en onbereikbare geliefde, dit is ook uit de titel op te maken. Wij denken dat de schrijver het woord “prinses” heeft gebruikt om het beeld van de vrouw te idealiseren. 

In de eerste strofe merk je dat Slauerhoff het heeft over de scheiding en onbereikbaarheid tussen hem en zijn geliefde. Zo lees je ook in de tweede strofe dat de afstand zo groot is, dat er geen hoop meer is voor hen om bij elkaar te zijn. En dat ze alleen nog samen kunnen zijn in de dood:  “U zou begroeten met mijn stervenssnik”. Wat wij opvallend vinden, is dat Slauerhoff zijn laatste strofe begint met het woord “maar”. Wij denken dat hij hiermee wilt duidelijk maken dat hij het er niet mee eens is dat er in de realiteit geen hoop meer is voor hun liefde en dat de onrealistische wereld, dromen, hun enige redding is om bij elkaar te zijn. 


Warme stront

Ingmar Heytze

Ik kan een hoop hebbe,

modder op me pijpe,

kots op straat, een portiek

met naalde stamp ik met droge oge

doorheen, daar ben ik

werkelijk hard in.

Maar hondenstront in oktober,

net gelegd, warm nog,

onder me zole, nee!

Beredenering

Ons viel dit gedicht al snel op, omdat het vrij grof is. De meeste gedichten gaan over de liefde, over verlies of over iets anders clichés. Dit gedicht gaat puur over het feit dat de schrijfster een ‘stront’ hekel heeft aan stront onder haar schoenen. Wij denken dat de schrijfster in de eerste zin een woordgrap heeft gemaakt, waar je als lezer achteraf pas achter komt, namelijk ‘ik kan een hoop hebben’. ‘Een hoop’ kan je ook opvatten als een ‘hoopje’ poep. Deze woordspeling zou perfect passen bij dit gedichtje en dat is ook één van de redenen waarom we dit gedicht hebben uitgekozen. Daarnaast valt ook op dat de schrijfster woorden vaak laat eindigen op ‘-e’. Bijvoorbeeld in de eerste zin: ‘Ik kan een hoop hebbe’. Bij het woorden ‘hebben’ wordt de ‘-n’ weggelaten. Dit gebeurt meerdere keren in de tekst en dit valt op. Door dit soort taalgebruik wordt het gedicht iets ondeugender en informeler. 


No Second Troy

Jean Pierre Rawie

Ik heb een vrouw bemind, die best 

een tweede Troje zou verdienen, 

en die door drank en heroïne 

onder mijn ogen werd verpest.

Tot ziekbed kromp het liefdesnest, 

en ik zou zachtjes willen grienen, 

omdat alleen dit clandestiene 

sonnetje van ons tweeën rest.

Zo´n veertien regeltjes waarmee je 

een tipje van de sluier licht,

wat zout om in de wond te wrijven.

Wat zijn dat toch voor waanideeën, 

dat je, verdomd, in een gedicht 

´de dingen van je af kunt schrijven´? 

Beredenering

Het gedicht gaat naar ons idee over de liefde die door gebruik van drank en heroïne de grond in geboord wordt. De man die het gedicht schrijft dacht door middel van deze clandestiene sonnet (verboden veertienregelig gedicht) de dingen, dus de stress en wanhoop die hij ervaart door de onmacht die hij ervaart, van zich af te kunnen schrijven. Hij benadrukt in het eind van het gedicht dat hij dit eigenlijk maar waanideeën vindt. Wij hebben dit gedicht gekozen omdat we de diepgang erin zagen en we het heel mooi vonden hoe de schrijver dit onder woorden bracht. We vinden poëzie over het algemeen best lastig te begrijpen maar in dit gedicht zagen we echt wat de schrijver voor mening heeft, waardoor het gedicht onze aandacht trok. 


Voor een dag van morgen

Hans Andreus

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan een kind

dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier,

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen,

vertel het aan de stad

hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens,

ze zouden je niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven dat

alleen maar een man 

alleen maar een vrouw

dat een mens een mens zo liefhad

als ik jou.

Beredenering

Gedurende dit gedicht probeert de dichter naar ons inziens duidelijk te maken dat liefde tussen twee personen heel persoonlijk is. Er wordt meerdere malen geschreven dat de ander de liefde tegen de wind, een kind, een dier, een huis of zelfs een stad mag uitleggen. Echter wordt er wel een waarschuwing gegeven dat ‘het aan geen mens’ verteld kan worden, omdat zij het niet begrijpen. Dus vertel het tegen alles, hoe groter hoe beter, maar tegen een mens kan het niet, want die zal het wantrouwen. Wij vinden het mooi hoe diep de dichter de liefde realiseert en hoe ondiep de mens het zich kan realiseren. 


Zeekoorts

Slauerhoff

Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in ‘t verschiet 

Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet. 

Het rukken van ‘t wiel, ‘t gekraak van het hout, het zeil ertegen, 

Als de dag aanbreekt over grauwe zee, door een mist van regen. 

Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust, 

Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust, 

‘t Is stil hier, ‘k verlang een stormdag, met witte jagende wolken 

En hoogopspattend schuim en meeuwen om kronk’lende kolken. 

Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen? 

Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen. 

Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder. 

‘k Heb genoeg aan een pijp op wacht en een glas in ‘t vooronder. 

Beredenering

Dit gedicht viel ons op vanwege de droevige toon. Het gedicht kan droevig worden geïnterpreteerd, omdat de persoon in het gedicht onrustig is: ‘…en laat mij nergens rust,’. De persoon wekt medelijden op bij de lezer: ‘Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen?’

Wat ons nog meer opviel was dat de persoon erg onverschillig doet. ‘Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder.’ Het maakt hem dus zelf niet uit dat hij alleen is in het leven, ook al maakt dit misschien wel uit voor de lezer.

Plaats een reactie