De dag gaat open als een gouden roos
Herman Gorter
ik sta aan ´t raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil en nauwlijks een geluid
breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos
En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga ´k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit
en ik bij donkren wand stil peinzend poos.
Ik heb ´t gevonden, het mensengeluk,
als moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannend worstlen en ijdel gebaar,
Maar zo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik ´t geluk gevonden
Verschillende benaderingswijze
Close reading
Het gedicht begint gelijk met een allusie: ‘De dag gaat open als een gouden roos.’ Door deze opening wordt er al snel een blij en verheugd effect opgewekt bij de lezer. Ondanks een treuriger middenstuk eindigt het gedicht weer vrolijk en voldaan, zodat dit effect achteraf bij de lezer blijft. Gedurende het gedicht schommelen de emoties wel.
Er wordt gerijmt met positief en negatief: een gouden roos en een donkre doos. Waar de ik-figuur in het gedicht zijn adem uitzend aan het raam, wordt er in zijn kamer parels gehangen aan de ruit. Gorter eindigt het gedicht met een terugkoppeling naar de eerste alinea. ‘Maar zo zeker als daarbuiten de zon de wereld befloerst, heb ik ‘t geluk gevonden.’ Dus nadat hij de buitenwereld heeft gezien en ziet hoe de zon de wereld een mooiere en duidelijkere plek maakt, heeft hij het mensengeluk gevonden.
De bedoeling en opvatting van het gedicht is over het geheel optimistisch over de wereld en de wereld om de persoon heen.
Impressionistische wijze
Dit is een impressionistisch gedicht. Met name het overdreven gebruik van bijvoeglijke naamwoorden is een kenmerk van het impressionisme. Gorter gebruikt in dit gedicht bijvoeglijke naamwoorden als ‘donkren’. Soms kunnen die vele bijvoeglijke naamwoorden ervoor zorgen dat een gedicht best vermoeiend is om te lezen. Gorter probeert in dit gedicht met ontzettend veel (en misschien wel té veel) woorden iets te zeggen. Dit zou je kunnen opvatten alsof Gorter een beetje literair wil doen en schrijvertje wil spelen.
Ook is het gedicht een sonnet. Dit is een rijmend gedicht van veertien regels. Dat het gedicht rijmt, blijkt uit het gebruik van omarmende rijm: ‘roos’ en ‘tussenpoos’. In een sonnet zit meestal een wending, de dichter begint positief: ‘De dag gaat open als een gouden roos’, wordt vervolgens een beetje negatief: ‘En in mijn kamer, als een donkre doos’, en sluit positief af: ‘Ik heb ‘t gevonden, het mensengeluk’.
Filologische
De naam van Gorter (1864 tot 1927) zal voorgoed verbonden blijven aan zijn grote jeugdwerk Mei, het onovertroffen hoogtepunt van zijn carrière, maar zijn andere poëzie is van minstens even groot belang. In De dag gaat open als een gouden roos komen de twee hoofdlijnen van Gorters dichterschap bijeen: er is geen onderscheid meer tussen het persoonlijke en het algemene, tussen natuur en maatschappij, tussen lichaam en geest. Zijn diepste wezen, waarin een oneindige wereld van emoties tot bewustzijn kwam, heeft hij weten uit te drukken door een nieuw, oorspronkelijk woordgebruik. Ook driekwart eeuw na zijn dood is zijn poëzie nog even fris en verrassend als bij haar verschijning.
In de tijd van de Tachtigers moest literatuur niet moralistisch zijn, maar een individuele uiting van een kunstenaar die daarmee andere individuen wil aanspreken. In het gedicht De dag gaat open als een gouden roos wordt kort het leven beschreven van een individu. Door een persoon apart te beschrijven in een gedicht, voelen de lezers zich meer aangesproken, vooral als ze bepaalde onderdelen uit het gedicht zelf ook meemaken.
Postmodernistisch
Gedichten kunnen op diverse manieren opgevat worden. Bij dit gedicht hadden wij dit idee alleen niet. Onze opvatting ervan is dat de man in het gedicht wakker wordt met een gevoel van blijdschap “De dag gaat open als een gouden roos”. In de tweede strofe legt hij uit dat zijn kamer zelf zorgt voor een onvoldaan en triest gevoel. Bij de zin “….. en ik bij donkren wand stil peinzend poos”. Door deze strofe kregen we het idee dat hij buiten als geluk en binnen als triest en ongeluk ervaarde.
In de derde, en laatste, strofe vindt hij het geluk. Wij hadden het idee dat hij zelf de gouden roos was. Wanneer de roos gesloten is (in zijn kamer, in het donker) is hij ongelukkig, maar wanneer de gouden roos opent (wanneer hij naar buiten gaat/kijkt) vindt hij het geluk. Hij heeft zijn hele leven in die gesloten roos geleefd en niet genoten van het geluk die de wereld met zich meebrengt. Maar na vier en dertig jaar heeft hij zijn roos geopend en heeft hij het geluk eindelijk gevonden.

